Alternatieven voor het huidige privaat-publieke vangnet bij ziekte

Inleiding

Op het eerste gezicht lijkt het voornemen van het derde kabinet Rutte om de loondoorbetalingsverplichting bij arbeidsongeschiktheid te verkorten van maximaal honderdenvier naar maximaal tweeënvijftig weken voor werkgevers tot vijfentwintig werknemers heel sympathiek en voordelig voor deze groep werknemers. Het lijkt er op, als men het plan nader bekijkt, dat het voor de kleine werkgevers om de spreekwoordelijke sigaar uit eigen doos lijkt te gaan. De eerste reden voor de kortere loondoorbetaling is dat deze volgens MBK-Nederland als een molensteen om de nek van de  kleinere werkgevers zouden hangen. Als een tweede reden wordt door de werkgevers aangevoerd dat de bereidheid om werknemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden, veel minder is geworden. Als een derde reden wordt genoemd dat kleine werkgevers slechts geringe invloed kunnen uitoefenen op het re-integratieproces en moeite hebben de re-integratieverantwoordelijkheid goed in te vullen.

Met het plan zou een aanzienlijke kostenbesparing bereikt kunnen worden voor een groot deel van het Nederlandse bedrijfsleven. Door deze lastenverlichting zouden werkgevers er volgens het kabinet weer toe over gaan om in grote getale werknemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. De verantwoordelijkheid voor de loondoorbetaling en een aantal re-integratieverplichtingen in het tweede jaar van ziekte komen te liggen bij het UWV. De ontslagbescherming van twee jaar blijft in stand; de collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een uniforme lasten dekkende premie, te betalen door de kleine werkgevers. Dit voorstel is echter niet geheel nieuw; in oktober 2015 is op verzoek van de toenmalige minister Asscher het rapport van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) ZZP tot stand gekomen, waarin onder andere geadviseerd werd om aan kleine werkgevers  (met een loonsom tot tien maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer) de wettelijke lasten aan loondoorbetaling in het tweede ziektejaar te vergoeden via een verplichte, publieke verzekering. De re-integratieverplichtingen van de werkgever in het tweede ziektejaar zouden dan naar het UWV gaan..

Vraagtekens bij het plan van het regeringsplan

Een van de argumenten die de regering die de regering geeft voor de kortere loondoorbetalingsverplichting weken is dat werkgevers weer bereid zouden zijn om werknemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (“de vaste dienst”) te geven. Maar is dat eigenlijk wel zo? Er is geen afdoende onderzoek geweest naar de effecten van een kortere loondoorbetaling op de arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd; het is dus maar de vraag of er meer “vaste” contracten zullen komen; onderzoek heeft daarbij aangetoond dat ook kleine werkgevers het financiële risico bij twee jaar loondoorbetaling voor een zeer redelijke prijs kunnen verzekeren. Naar mijn mening nemen veel bedrijven werknemers aan op flexibele basis omdat in tijden van economische tegenwind het veel makkelijker is om van zulke werknemers afscheid te nemen. Een andere vraag is welke re-integratieverplichtingen overgaan in het tweede jaar; in het regeerakkoord wordt gesproken over “een aantal” verplichtingen die overgaan naar het UWV; uit de strekking en de bewoordingen in het regeerakkoord lijkt het te gaan om een beperkt aantal verplichtingen, waardoor de werkgever toch in hoofdzaak verantwoordelijk blijft voor de re-integratie in het tweede jaar. Ook wordt het opzegverbod niet afgeschaft in het tweede jaar, waardoor de zieke werknemer in dienst zal blijven na twee jaar. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de loonsanctie in het derde jaar? Komt deze geheel op het bordje van de werkgever te liggen, ook als het UWV aantoonbaar niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. En de werkgever blijft  gewoon betalen voor werknemers die na twee jaar de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) ingaan. De regering wil als tegemoetkoming wel de periode van de premiedifferentiatie voor de WGA verkorten van tien naar vijf jaar.

Mogelijke effecten van het regeringsplan

Op de korte termijn zullen de kosten voor werkgevers lager worden door de kortere loondoorbetalingsverplichting, maar op de lange termijn zullen de kosten stijgen door de verwachte toename van het verzuim en WIA-uitkeringen. Uiteindelijk zullen de collectieve premies in het tweede jaar gaan stijgen doordat het hogere verzuim en het toenemend aantal WIA-uitkeringen in de collectieve premies verrekend worden. De toename van het verzuim en aantal WIA -uitkeringen schuilt in twee factoren. Ten eerste zullen sommige werkgevers minder re-integratie inspanningen leveren voor de zieke werknemer in het eerste jaar. Die werkgever zal zeer waarschijnlijk denken: waarom zou ik zoveel moeite doen, als het UWV een gedeelte van de inspanningen in het tweede jaar overneemt? Daarom heeft het kabinet in het plan ook gekozen voor een sectorale premie; de goeden moeten lijden onder de slechten die bewust aansturen op het tweede jaar. Ten tweede is het nog maar zeer twijfelachtig of het UWV de nieuwe rol in het tweede jaar wel aankan. Het UWV heeft bepaald geen goede trackrecord met betrekking tot de re-integratie in het kader van de WIA en Ziektewet. Het UWV heeft al een groot tekort aan herkeuringsartsen en nu komen daar nog extra re-integratieverplichtingen bij. De verwachting is dat als gevolg van de grotere werkdruk  bij het UWV de instroom in de WIA zal toenemen, wat weer tot hogere collectieve lasten voor de werkgevers zal leiden omdat het UWV niet die re-integratie inspanningen zal kunnen leveren die nodig zijn om werknemers weer aan het werk te krijgen.

Al met al lijkt het kabinet naar mijn mening het plan niet goed doordacht te hebben over de mogelijke negatieve gevolgen voor werkgevers: de hogere kosten op langere termijn door de stijgende collectieve premie door de hogere instroom in de WIA als gevolg van te weinig mankracht bij het UWV en verminderde re-integratie inspanningen door de werkgevers in het eerste jaar.

De algemene basisverzekering van het CDA

In december 2015 kwam het CDA met het plan voor een verplichte basisverzekering loondoorbetaling voor alle werkenden, inclusief ZZP´ers. Deze verzekering moet werkenden een inkomen verschaffen bij ziekte voor maximaal twee jaar. Voor de werkgever geldt een loondoorbetalingsverplichting van maximaal acht weken. Dit sluit beter aan bij wat gebruikelijk is in de EU. Evenals de zorgverzekering kent deze basisverzekering een volledige acceptatie met voor alle werkenden gelijke voorwaarden en zonder risicoselectie. Hierdoor ontstaat risicodeling, een aanvaardbare premie en ook ZZP´ers met een hoger risico zijn nu verzekerd. Hierdoor zullen volgens het CDA door de korte loondoorbetaling werkgevers, waardoor de kosten voor werkgevers aanzienlijk zullen dalen, weer meer mensen in vaste dienst aannemen en minder hun toevlucht zoeken in flexwerk en (schijn) ZZP´ers. Zodoende zal er meer evenwicht op de arbeidsmarkt komen. Ook moet met de basisverzekering meer solidariteit en gemeenschapszin bewerkstelligd worden doordat alle werkenden, ongeacht men werknemer is of zelfstandige, premie moeten betalen. Nog een bijkomend voordeel is dat mensen die ZZP´er willen worden, dat makkelijker kunnen doen omdat ze in het plan van het CDA verzekerd zijn tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid en dus geen dure particuliere verzekering hoeven af te sluiten.

Het plan voor de basisverzekering vergeleken met het plan van de regering

De voordelen van het regeringsplan zouden moeten zijn de lagere kosten op de korte termijn voor kleine werkgevers en bevordering van het in vaste dienst nemen van werknemers. De lagere kosten ontstaan door de overname van de loondoorbetaling door het UWV in het tweede jaar en de verminderde re-integratie inspanningen in het eerste jaar. Het grote nadeel van dit plan zijn de hogere kosten op langere termijn voor werkgevers door de verwachte toename van de WIA-uitkeringen, die per saldo hoger zullen zijn dan de eerder genoemde voordelen op korte termijn. Waarom niet een gedifferentieerde premie per werkgever in het tweede jaar invoeren? Dan dwing je de kwaadwillende werkgevers tot voldoende re-integratie inspanningen, omdat zij het anders het in hun portemonnee gaan voelen. Ik vind dat de regering er zich met de collectieve premie wel erg gemakkelijk van af maakt; waarschijnlijk is het kabinet beducht voor hogere administratieve kosten bij een gedifferentieerde premie.

Mijns inziens verdient het plan van het CDA de voorkeur, omdat de kosten voor de maatschappij door de korte loondoorbetalingsperiode zullen afnemen en er een grotere solidariteit tussen de verschillende groepen werkenden ontstaat. Ook alle ZZP´ers zijn in dit plan verzekerd voor de loondoorbetaling; in het regeerakkoord van het derde kabinet Rutte heeft de regering het voornemen om voor de ZZP´ers aan de onderkant van de markt uit te gaan van een arbeidsovereenkomst. Mijns inziens zou het beter zijn om alle werkenden, conform de plannen van het CDA, een verplichte basisverzekering te geven. Daarmee ontstaat een grotere solidariteit en collectiviteit tussen de werkenden. Verschillende details in het plan moeten nog wel uitgewerkt worden; zo is het onduidelijk of de uitkeringen gebaseerd zullen zijn op een percentage van het minimumloon of het laatst verdiende loon. Een andere vraag is of de werkgever, bij een loondoorbetaling van acht weken, wel voor langere tijd verantwoordelijk blijft voor de re-integratie en of de ZZP´er een “opt-out” mogelijkheid krijgt als hij niet wil meedoen met de verplichte basisverzekering loondoorbetaling.

 

Peter Majoor

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reactie achterlaten?

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *