Onrechtmatige daad, een beknopte uitleg

Onrechtmatige daad, wat is dat nu precies?

Een korte beschrijving van de onrechtmatige daad, een veel voorkomende term in het verbintenissenrecht.

Een onrechtmatige daad geeft aanleiding tot het vergoeden van schade door de persoon die de onrechtmatige daad heeft veroorzaakt (aldus art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek). Bij een onrechtmatige daad moet er sprake zijn een toerekenbare onrechtmatige gedraging van een persoon. De schade moet een direct gevolg zijn van de onrechtmatige gedraging van een persoon. Dit is niet dezelfde als schade die het gevolg is wanneer een overeenkomst niet wordt nagekomen en er wanprestatie wordt geleverd; deze  schade wordt gebaseerd op een ander artikel; namelijk art. 6:74 BW.

Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

  1. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
  2. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

De 5 vereisten voor aansprakelijkheid
Er zijn 5 vereisten wil er sprake zijn van aansprakelijkheid op basis van onrechtmatige daad:

  1. Onrechtmatige gedraging
  2. Toerekenbaarheid
  3. Schade
  4. Causaliteit (tussen daad en schade)
  5. Relativiteit

Onrechtmatige gedraging

Wil er sprake zijn van een onrechtmatige gedraging dan moet er een inbreuk zijn op een recht, een doen of nalaten met een wettelijke plicht of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, aldus art. 6:162 BW.

Inbreuk op een recht
Er moet een inbreuk zijn op een subjectief recht van een ander. Deze subjectieve rechten bestaan uit vermogensrechten en persoonlijkheidsrechten. Tot de eerste groep behoren onder andere het eigendomsrecht, maar ook de rechten op voortbrengselen van de menselijke geest. Tot de tweede groep behoren onder andere het recht op leven, het recht op privacy en het recht  op vrijheid, in het algemeen gezegd dus de grondrechten. Er is dus een inbreuk als men bijvoorbeeld gestoord wordt in de uitoefening van zijn gebruiksrecht door hinder of beschadiging of als men een inbreuk maakt op de privacy van een ander.

Strijd met een wettelijke plicht
Hier is sprake van overtreden van een wettelijke regel of het overtreden van een voorschrift uit een APV of een vergunningsvoorschrift. Als er sprake van overtreden van een voorschrift uit een strafrechtelijke wet is daarmee in beginsel civielrechtelijk onrechtmatig handelen gegeven.

Strijd met ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen
Hieronder vallen de overtredingen van zorgvuldigheidsnormen die niet onder de eerste twee groepen vallen; het is een verzameling van allerlei zeer verschillende vormen van gedrag dat op de een of andere manier onzorgvuldig of onbetamelijk is.

Toerekenbaarheid aan de dader

Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend indien hij schuld heeft. De gronden voor toerekening staan in art.162 lid 3 BW:
Indien zij te wijten is aan:

  1. zijn schuld;
  2. of aan een oorzaak welke krachtens de wet;
  3. of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

In het eerste geval is er sprake van een persoonlijk verwijtbaar gedrag, behoudens schulduitsluitingsgronden. Het tweede geval betreft toerekening op grond van de wet van bijvoorbeeld art. 6: 170 BW, dat is de aansprakelijkheid van een werkgever voor een ondergeschikte. Het derde geval tenslotte is weer een soort restcategorie, waarbij er geen sprake van toerekening volgens de eerste twee gevallen, maar waarbij aansprakelijkheid wel gewenst is.

Schade
Het begrip schade wordt nergens omschreven in de wet. Op grond echter van art. 6:95 BW weten wij echter dat vermogensschade en ander nadeel in aanmerking komen; ander nadeel wil zeggen immateriële schade. Vermogensschade wordt in principe volledig vergoed, maar immateriele schade slechts naar billijkheid, aldus art. 6:106 BW.

Causaliteit
Slechts de schade die in rechtstreeks verband staat met de onrechtmatige daad komt in aanmerking voor vergoeding. Art. 6:98 BW omschrijft het als volgt:

“Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”

Factoren die een rol spelen bij deze zogenaamde toerekening naar redelijkheid zijn onder andere de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade, de mate van schuld en de mate van voorzienbaarheid. Deze factoren zijn ontwikkeld in de rechtspraak van de Hoge Raad.

Relativiteit
Dit zogenaamde relativiteitsbeginsel komt uiting in art. 6:163 BW en zegt dat de overtreden norm de strekking (de bedoeling)  moet hebben om deze persoon in zijn belangen te beschermen en of de in casu geschonden belangen door deze norm beschermd worden. Duidelijk wordt uit dit artikel dat het bij de beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag altijd om een concrete vraag gaat: “is jegens deze gelaedeerde onrechtmatig gehandeld?” (Spier e.a. p.75). Voor de volledigheid volgt nog de tekst van het artikel:

“Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.”

Het beginsel beperkt dus het aantal personen met een recht op schadevergoeding en de soort van schade.

Reactie achterlaten?

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *